Chowi's LJ.

There are no fairies.

Over de grens.
[info]chowi
We hadden er dagen doorgebracht. Dagen, zonder een woord te wisselen. In de regen, in de sneeuw, in de volle zon. Vogels kwetterden, en soms ook niet. Soms hing er een perfecte stilte. Dicht, zwaar. Er was zelfs niet het geluid van boombladeren die dansten op de wind.
Het was er verre van aangenaam. Ik kan daar geen duidelijke reden voor aanwijzen, maar er hing een bepaalde sfeer. En die sfeer bestond, was haast tastbaar. We voelden het allemaal.
Ik weet zeker dat we op een bepaald punt allemaal met de gedachte speelden om weg te gaan, om om te keren in de richting van ons huis, om dit hoofdstuk in ons leven over te slaan en er nooit meer over te spreken als was het nooit gebeurd. Maar het kon niet. We waren al te ver. Terugkeren was onmogelijk.
Ik dacht vaak aan thuis. Aan de warmte en het ultieme gemak. De geur van sudderlappen in de pan. Ik dacht aan mijn vrouw. De kinderen. Hoe zou het ze vergaan? Werd ik gemist? Verliep het leven van alledag net als voordat ik was vertrokken? Wellicht realiseerden ze zich nog niet dat ik niet meer terug zou keren. De gedachte hieraan was deerniswekkend. Ik vocht tegen mijn tranen en trok de rits van mijn jas wat verder dicht. Met mijn handen in mijn zakken slenterde ik zo een eindje van onze tenten af. Ik richtte mijn blik op de sterrenhemel.

Het was een koude nacht. Misschien wel de koudste die we tot dan toe hadden getroffen. Maar het zou zeker niet de koudste zijn van de hele reis. Een sluier van wolken bedekte de sterren en de maan, die lang niet zo fel scheen als voorheen. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om te wonen op de maan. Het zou een perfecte wereld zijn, waar iedereen in harmonie samenleefde. Geen ruzies, geen oorlogen, geen valuta. Maar boven alles geen grenzen.

Toen ik het uitkijkpunt had bereikt, zeeg ik neer in het zand. Ik pakte een sigaret uit mijn jaszak en stak deze op. De rook die ik uitblies vermengde zich met wolkjes gecondenseerde adem. Ik draaide me om en keek in de richting van onze tenten. Een vaag schijnsel van het kampvuur was het enige dat ik nog waar kon nemen.
Daar, op het uitkijkpunt, heb ik toen mijn hart uitgestort. Ik vertelde alles wat mijn lichaam al maandenlang in een wurggreep had aan de maan. Ik vloeide mijn eerste tranen, en mijn laatste. Ik heb geschreeuwd en gescholden, gejankt en gesmeekt. De maan luisterde geboeid, of zo stelde ik me dat voor.
Toen mijn tranen opgedroogd waren en mijn sigaret opgerookt, keerde ik terug naar de tenten, waar Kadin al bezig was met het doven van het kampvuur. Toen hij notie nam van mijn voetstappen, keek hij op. Voor een moment keek hij me aan, ging toen weer verder met waar hij mee bezig was.
''De anderen zijn al gaan slapen,'' zei hij na een tijdje.
''Allicht.''
Ik nam plaats op een boomstronk naast het kampvuur. Kadin zette zich naast mij en keek me een paar seconden zwijgend aan.
Toen begon hij: "Morgen moeten we het doen.''
''Ik weet het...'' mompelde ik. ''Het valt me zwaarder dan ik had verwacht. Na al deze dagen van wachten had ik gerekend op een zelfverzekerder gevoel.''
Kadin zuchtte en masseerde zijn slapen met zijn vingertoppen. Het was duidelijk dat hij het ook somber inzag. Hij zuchtte nogmaals.
''Luister,'' zei hij toen, ''het is niet zo dat we niet meer terug kunnen.''
Ik zweeg.
''We zouden nog terug kunnen keren. Als we dat echt zouden willen.''
''Nee, dat kan niet. Dat begrijp je zelf toch ook? Als we teruggaan, kunnen we niet naar onze oude stad. We kunnen geen contact opnemen met onze gezinnen of kennissen. Dan moeten we een geheel nieuw bestaan opbouwen. Bovendien kunnen we niet in het openbaar treden, want we worden gezocht. We moeten de grens over.''
''Als we het echt zouden willen, zou het kunnen.'' Kadin knikte met zijn hoofd, alsof hij zichzelf probeerde te overtuigen.
Ik slaakte een diepe zucht. Als Kadin zich terug zou trekken, was ik haast ten dode opgeschreven, samen met mijn andere metgezellen. Hij kon niet weggaan. Ik moest hem overtuigen.

Maar hij had zijn besluit al genomen. Kadin stond op en legde zijn hand op mijn schouder. Een traan op zijn wang. Hij vertrok. Hij had niets meer bij zich dan de kleren die hij droeg. Op weg naar een nieuw bestaan.

De volgende dag zouden we de grens over gaan. En over de grens zouden we sterven.

Kadin: mijn vriend, mijn metgezel, mijn vertrouweling.

Wim Helsen = held.
[info]chowi
Van deze cabaretier had ik al eens eerder de tekst op mijn profiel gezet zonder bronvermelding, waarvoor excuses. Het gaat om dit fragment. <3.

Ik ben fan!



Smells like content.
[info]chowi
Balance. Repetition. Proposition. Mirrors.

Most of all, the world is a place where parts of wholes are described within an overarching paradigm of clarity and accuracy. The context in which makes possible an underlying sense of the way it all fits together, despite our collective tendency not to conceive of it as such.
But then again, the world without end is a place where souls are combined, but with an overbearing feeling of disparity and disorderliness. To ignore it is impossible without getting oneself into all of kinds of trouble, despite one's best intentions to not get entangled with it so much.

Meanwhile, the statues are bleeding green. And others are saying things much better than we ever could; as the quiet become suddenly verbose.

And the hail's heralding the size of nickels. And the street corners are gnashing together like the gears inside the head of some omniscient engineer. And downward flows the garnered wisdom that has never died.
Then finally, we opened the box, we couldn't find any rules. Our heads were reeling with the glitter of possibilities, contingencies... but with ever increasing faith we decided to go ahead and just ignore them, despite tremendous pressure to capitulate with fate.
So instead, we went ahead to fabricate a catalog of unstable elements and modicums and particles. With not zero total strangeness for brief moments which amount to nothing more than tiny fragments of a finger snap.

Meanwhile, we're furiously seeing green. And the map has started tearing along its creases due to overuse... when in reality it's never needed folds.
And the air's withholding the sound of its wellspring. And our heads approach a density reminiscent of the infinite productivity of the center of the sun.

And therein lies the garnered wisdom that has never died.

Vincent all over again.
[info]chowi
Toen we die ochtend opstonden was alles gehuld onder een deken van maagdelijk wit. In deze sneeuwdeken was de wereld anders dan anders. Niet alleen uiterlijk; niet alleen de lucht die een specifieke kleur had. Niet alleen de bomen die zuchtten onder de zware deken van winter. Ook het geraas van de auto's klonk anders dan voorheen, klonk gedempter. Andere vogels, andere voetgangers. Een andere wereld.

We liepen door een bos. De sneeuw kraakte onder onze voeten. Ik keek gefascineerd naar een mevrouw die ons passeerde, die in een T-shirt en met muziek in haar oren door het bos jogde. Ze ademde heel regelmatig korte wolkjes adem uit. Soms ademde ze haar eigen wolkjes weer terug in. Recycling, dacht ik.
De dame waarmee ik door dat bos liep stak na enig twijfelen haar rechterhand in mijn jaszak, daar waar ik mijn hand ook had gestoken om de kou te weren. Met haar hand pakte ze de mijne vast, en ik wendde mijn blik even in haar richting. Ze leek afwezig. Ze dacht na.

''Het is best koud, hè?'' sprak ze na een tijdje.
''Hm-hm,'' antwoorde ik terwijl ik voor me uit bleef kijken. Ik voelde dat ze naar me keek.
Daarna was het stil.
We sloegen rechtsaf en wandelden een stukje over het dichtgevroren meer.

Toen we een tijdje later bijna terug bij het huis waren, haalde ze haar hand weer uit mijn jaszak en hield ze stil, terwijl ik in het zelfde tempo doorliep. Plotseling rende ze drie meter voor me uit en zakte met haar knieën in de natte sneeuw. Ik zag haar tranen.
''Ik moet je iets vragen," zei ze met een trilling in haar stem.
''Brand los.''
Ze keek met haar vochtige ogen langs me heen, richtte haar blik daarna weer op mij.

''Hou je van me?'' Haar lip trilde. Met haar mouw veegde ze haar wangen droog.
Ik gaf geen antwoord.
''Zeg alsjeblieft dat je van me houdt...''
Maar ik haalde mijn schouders op. Ik hoefde hierop geen antwoord te geven.
Na een tijdje stond ze op en stak ze haar handen in haar broekzakken. Rond haar knieën was een donkere plek van de natte sneeuw ontstaan. Ze huilde nog altijd.

''Kan jij ooit wel om iemand geven? Waarom ben jij zo?''
En nogmaals haalde ik mijn schouders op.
''Het doet pijn om bij jou te zijn. Ik ga bij je weg, en je hoeft me niet meer op te zoeken.'' En ze rende weg, de verte in.

Ach, dacht ik. Dan maar niet. Het was mij om het even.

Blind.
[info]chowi
Soms voelt het alsof ik nooit geleerd heb hoe je pijn moet verwerken. Al het leed slik ik simpelweg door en stop het weg ergens diep in mijzelf, in de hoop dat ik het vergeet...Maar ik vergeet het nooit. Alles blijft altijd. Alles komt altijd weer een keer naar boven drijven om twintigduizend keer pijnlijker aan te voelen dan in de tijd dat het me berokkend werd.

En zo blijft alles zomaar altijd pijn doen.
En ik wandel door het leven, veel te naïef, veel te blind voor alles wat er is of alles wat er had kunnen zijn.

Wat een gezeik allemaal.


[Het] is er [weer].
[info]chowi
Als ik zou geloven - in welke god dan ook, al is het Allah of Jahweh of de Grote Oekoeloekoe - dan zou ik nu, terplekke, op mijn knieën neervallen en mijn woorden ten hemel richten. Ik zou deze positie zolang aanhouden dat mijn kniegewrichten zouden verslijten en mijn knieën zelf rood zien van de schaafwonden.
Ik zou rituele dansen uitvoeren in rare kleren met citers en trompetten. Ik zou in tranen uitbarsten.
Ik zou mijn woorden niet weten te kiezen, omdat ''dankuwel'', hoewel het het gevoel van lof en dank enigszins omschrijft, in de verste verte niet weergeeft hoe intens dit gevoel is.

Ik zou alles doen, álles, om maar te laten zien hoe dankbaar ik ben voor het volgende.

Het is weer zover. Ik voel het weer. Dat ene. Mijn inspiratie en zin om te schrijven is terug en de gedachten komen met bosjes vanuit elke porie van mijn lichaam. Ik ben weer terug!


Levenloos.
[info]chowi
We deelden zoveel, dat niets meer echt van onszelf was. We deelden onze gevoelens, onze ervaringen en al het materiele dat we bezaten. Dat was mooi, en fijn omdat we elkaar zo vertrouwden, maar die nacht werden we erom gestraft. Misschien moest ik je niet alles geven, misschien was het slecht om één persoonlijkheid te worden, samen met jou.
Maar ik hield immens veel van je, dat ik wilde dat alles van jou was. Het putte me uit om jou altijd tevreden te houden en altijd van mij te laten blijven houden, terwijl je daar niet eens om vroeg. Het putte me uit en ik functioneerde slechter, overal, behalve bij jou in de buurt.

Read more... )

Dit is het leven, dat zijn de spelregels. Veel succes.
[info]chowi
Had iemand niet even de moeite kunnen nemen om de spelregels van het leven systematisch en nauwkeurig uit te lichten in een klein boekwerkje en het me cadeau te doen bij m'n geboorte? Is het echt zo moeilijk? Zijn die regels zo onverklaarbaar?

Read more... )

De tijd, de tijd...
[info]chowi
Ik stond in een donkere, oneindige gang, leunend tegen de houten muren. Recht voor me hing een wandklok, oplichtend, zo leek het althans.

Het enige dat er te horen was, was het tikken van die klok. De secondes die verstreken. Bijna intimiderend.
Je kunt de tijd niet stilzetten.

En ik kon alleen maar denken: weer een seconde van mijn leven verspild, weer een seconde van mijn leven verspild, weer een seconde van mijn leven verspild...


Er zijn geen mensen meer.
[info]chowi
De bel van de winkel rinkelde. Er stapte een mevrouw binnen, gehuld in een lange overjas. Haar haren netjes in het permanent, haar lippen vlammend rood en haar gezicht geplamuurd. Wangen van rouge. Ze frunnikte wat aan haar parelketting terwijl ze het lectuurassortiment bekeek.
De winkelier kwam uit het magazijn gelopen en zette zich achter de toonbank. Hij roerde met een plastic lepeltje door zijn koffie. Daarna snoot hij zijn neus in een papieren zakdoek, stak hij de achterkant van het plastic lepeltje in zijn oor en draaide er rondjes mee. Dit deed hij op bijna dezelfde manier zoals hij in zijn koffie had geroerd. Toen hij klaar was gooide hij het lepeltje op bijna achteloze wijze in een prullenbak naast hem. Het leek haast routine zoals hij deze handelingen verrichte. Lepeltje-koffie. Zakdoek-neus. Lepeltje-oor. Lepeltje-prullenbak. 

Read more... )

Fotoalbum.
[info]chowi
"Waarom doen ze dit?" vroeg hij vol wanhoop.
Ik had uit angst en schrik een stap achteruit gedaan.
Als je goed keek, kon je achter de tranen die zijn ogen verscholen vlammen zien dansen. Hij was kwaad, woedend, en tegelijk ten einde raad. Niemand gaat ervan uit dat je leven van de ene op de andere dag zó kan instorten, hoe geordend en perfect het ook is. En niemand is er op voorbereid. Niemand zal begrijpen hoe hij zich voelt, hoeveel ze hun best ook doen.

Read more... )

Al soezend...
[info]chowi
Het was als in een droom, toen ik mijn spullen bij elkaar raapte en ze in een tas deed. Drie tassen. Op de grond, naast mijn bed. Ze representeerden mijn leven in materiaal. De kleding die ik gedragen had toen ik hém uitzwaaide op het station. Het parfum dat ik later kreeg, dat naar bloesems rook. De ansichtkaarten, de foto's. De versleten schoenen die eigenlijk veel meer van de wereld hadden moeten zien.
Drie tassen. Mijn leven in materiaal. Ik deed toiletspullen in een klein tasje. Eigenlijk vertelden zij nog het minst. Ze werden te vaak vervangen om een belangrijk deel uit mijn leven te beslaan. Met moeite kon ik enkel mijn tandenborstel nog ergens mee associëren.

Read more... )

Vagevuur.
[info]chowi
Na dagenlang rondgedoold te hebben in een dor landschap, vond ik eindelijk iets van betekenis. Het waren de onderste treden van een trap. De treden waren wel drie meter breed en een halve meter hoog, en toen ik mijn ogen ten hemel richtte, ontdekte ik dat deze trap haast oneindig moest zijn. Goed, veel keus had ik niet. Ik controleerde mijn knapzak op voldoende proviand, waarna ik hem over mijn schouder wierp en begon aan mijn tocht. Misschien was dit God’s moderne vertolking van het vagevuur. Misschien had hij ontdekt dat de klassieke straffen bij een enkeling niet goed aansloegen, en dat was natuurlijk niet de bedoeling. De louteringsberg was er immers om gelouterd te worden, en trappen waren mijn hele leven lang al een ware ergernis geweest.

IRead more... )

Lichtekooi.
[info]chowi
Alles was gehuld in een rode gloed. De mannen aan de bar nipten hun whisky, de barvrouwen controleerden geregeld hoe het gesteld was met hun decolleté en lachten alsof het een lieve lust was. De rookpluimen die zich op weg naar het plafond met elkaar vermengden, de veel te harde muziek en de klamme handen.
Er zaten meisjes tussen. De lippen netjes gestift en de kin omhoog. Benen over elkaar geslagen. Nog meer rookpluimen. Gekleed in zo weinig mogelijk kant. Eveneens rood, of roze of paars. Een enkeling leek zenuwachtig en keek schichtig in het rond. Maar er klopte iets niet. De sfeer die er hing trok naar één kant van het vertrek, alwaar het weggezogen werd in een groot, zwart gat, zo leek het.

Read more... )

Daag.
[info]chowi
Ze droeg een roze petticoat onder een flanellen zomerjurkje dat danste in de wind. Ze danste zelf ook in de wind, met haren als honingblonde linten die glansden in het zonlicht. Ze vroeg me ten dans waarna haar linkermondhoek héél subtiel, bijna onzichtbaar opkrulde. Ik greep haar hand en danste met haar mee. We maakten pirouettes die haar jurkje deden opbollen. We draaiden en draaiden zonder misselijk te worden. De zachte geur van het gras om ons heen gaf me een prettig gevoel.
We dansten zo lang dat we uiteindelijk uitgeput neerzegen in het gras. Met mijn ogen half dichtgeknepen staarde ik de lucht in. Zij speelde onwillekeurig met wat grassprietjes en lachte ondeugend. Toen viel ze stil, en staarde me zo lang aan dat ik er wel wat van móést zeggen.
''Wat is er?''
''Zullen we de volgende keer weer dansen?'' vroeg ze na een korte pauze.
''Graag.''

Ze leek opgelucht te zijn en stond op. Toen blies ze me een kus toe, draaide zich om en verdween in het felle zonlicht.

Blauw
[info]chowi
In deze beleveniswereld veranderen de kleuren met de gevoelswaarden mee. Elk thema heeft een kleur en elke kleur heeft een thema. De kleuren veranderen, soms geleidelijk, soms in een flits. Alles hangt af van de emoties en de stabiliteit daarvan. En eigenlijk is niets tastbaar, hoorbaar of zichtbaar. Niets lijkt zich echt te voltrekken en toch neem je het waar. Dat is het vreemde ervan.

Read more... )

Brod.
[info]chowi
Ik heb iets voor je, zei hij op een dag, en hij pakte Brods hand en nam haar mee de keuken uit de tuin in.
Wat is het? vroeg ze, zonder moeite te doen een veilige afstand in acht te nemen. (Er waren geen veilige afstanden meer. Alles was nu te dichtbij of te ver weg.)
Voor je verjaardag. Een cadeautje.
Ben ik jarig vandaag?
En wat ben ik nu? Zeventien, hè?
Achttien.
Wat is het?
Dat zeg ik niet, want dan is de verrassing eraf.
Ik hou niet van verrassingen, zei ze.
Ik wel.
Ja maar, voor wie is het cadeautje? Voor jou of voor mij?
Het cadeautje is voor jou, zei hij. De verrassing voor mij.
En als ik je nu eens verraste en zei dat je het zelf mocht houden? Dan was het cadeautje voor jou en de verrassing voor mij.
Maar je houdt niet van verrassingen.
Weet ik, dus schiet nou maar op met dat cadeautje.
Hij gaf haar een pakje. In blauw velijnpapier, met lichtblauw lint eromheen.
Wat is het? vroeg ze.
Dat hebben we net al gehad, zei hij. Een cadeautje. Maak maar open.
Nee, zei ze, dit, en ze wees op het papier.
Dat? Dat is gewoon inpakpapier.
Ze liet het pakje zakken en begon te huilen. Hij had haar nog nooit zien huilen.
Wat krijgen we nou? Dit is om je blij te maken.
Ze schudde haar hoofd. Huilen was voor haar ook nieuw.
Wat, Brod? Wat is er nou?

Ze had niet meer gehuild sinds die Trachimiddag vijf jaar eerder, toen ze op weg naar huis van de praalboot was aangeklampt door de krankzinnige grondbezitter Sofiovka N, die haar vervolgens van haar maagdelijkheid had beroofd.

Ik hou niet van je, zei ze.
Wat?
Ik hou niet van je, en ze duwde hem weg. Het spijt me.
Brod, hij legde een hand op haar schouder.
Laat me los! schreeuwde ze. Raak me niet aan! Ik wil niet dat je me ooit nog aanraakt!
Ze draaide haar hoofd van hem af, kokhalsde en gaf over op het gras.
Ze rende weg. Hij rende haar achterna. Ze rende om het huis heen, steeds opnieuw, de voordeur voorbij, over het kronkelpaadje naast het huis, door het tuinhek en de janboel van hun achtertuin, door de zijtuin terug naar de voordeur en zo verder. De Kolker bleef vlak achter haar, kon veel harder rennen dan zij maar haalde haar met opzet niet in, en bleef ook niet staan om haar bij haar volgende passage op te vangen. Dus bleven ze steeds maar nieuwe rondjes rennen: voordeur, kronkelpaadje, janboel, zijtuin. Tot Brod uiteindelijk, de middag had zijn vroege-avondjas al aan, van uitputting neerviel in de tuin.

Ik ben moe, zei ze.
De Kolker ging naast haar zitten. Heb je ooit van me gehouden?
Ze keek van hem weg. Nee. Nooit.
Ik heb wel altijd van jou gehouden, zei hij.
Dan spijt me dat voor je.
Je bent een vreselijk mens.
Dat weet ik, zei ze.
Ja, maar ik wou even laten weten dat ik dat nu ook weet.
Goed, dan weet ik dat nu.
Hij liet de rug van zijn hand langs haar wang gaan, alsof hij er het zweet vanaf wilde vegen.
Denk je dat je ooit van me zal kunnen houden?

Nee, ik denk het niet.
Omdat ik niet goed genoeg voor je ben?
Nee, dat is het niet.
Omdat ik niet intelligent ben?
Nee, dat is het niet.
Gewoon omdat je nooit van me zou kunnen houden?
Precies, omdat ik nooit van je zou kunnen houden.

Hij stond op en liep het huis in.

Uit "Alles is Verlicht" van Jonathan Safran Foer

De pracht van de schaamte.
[info]chowi
“Hoe gaat het?”
“Hm.”
Hij streek quasi-zelfverzekerd een lok haar naar achteren, een geforceerde glimlach glimlachende. Bij wijze van respons trok zij haar linkermondhoek op.

Read more... )

Printemps.
[info]chowi
Elke dag liep hij erlangs, met een stapel boeken in zijn handen. ’s Morgens opgewekt en liedjes fluitend over vogels en voorbij reizende wolken, laat in de middag uitgeput en met een gekromde rug. Zijn boekenstapel leek ’s middags tien kilo zwaarder geworden dan hij was, diezelfde morgen. Hij had blonde piekharen die alle kanten op warden en zijn ogen waren helder. Niet blauw of groen of bruin, maar gewoon helder. Het maakte niet uit of het ’s morgens was of laat in de middag, zijn blik was altijd stralend.
Hij droeg zijn diep blauwe trui altijd netjes rechtgetrokken over zijn lichtblauwe polo en de veters van zijn schoenen waren perfect gestrikt, iedere dag weer. Hij struikelde nooit. Hij leek netjes en geordend, maar niet ongelukkig.
Read more... )

Praatgraag.
[info]chowi