We hadden er dagen doorgebracht. Dagen, zonder een woord te wisselen. In de regen, in de sneeuw, in de volle zon. Vogels kwetterden, en soms ook niet. Soms hing er een perfecte stilte. Dicht, zwaar. Er was zelfs niet het geluid van boombladeren die dansten op de wind.
Het was er verre van aangenaam. Ik kan daar geen duidelijke reden voor aanwijzen, maar er hing een bepaalde sfeer. En die sfeer bestond, was haast tastbaar. We voelden het allemaal.
Ik weet zeker dat we op een bepaald punt allemaal met de gedachte speelden om weg te gaan, om om te keren in de richting van ons huis, om dit hoofdstuk in ons leven over te slaan en er nooit meer over te spreken als was het nooit gebeurd. Maar het kon niet. We waren al te ver. Terugkeren was onmogelijk.
Ik dacht vaak aan thuis. Aan de warmte en het ultieme gemak. De geur van sudderlappen in de pan. Ik dacht aan mijn vrouw. De kinderen. Hoe zou het ze vergaan? Werd ik gemist? Verliep het leven van alledag net als voordat ik was vertrokken? Wellicht realiseerden ze zich nog niet dat ik niet meer terug zou keren. De gedachte hieraan was deerniswekkend. Ik vocht tegen mijn tranen en trok de rits van mijn jas wat verder dicht. Met mijn handen in mijn zakken slenterde ik zo een eindje van onze tenten af. Ik richtte mijn blik op de sterrenhemel.
Het was een koude nacht. Misschien wel de koudste die we tot dan toe hadden getroffen. Maar het zou zeker niet de koudste zijn van de hele reis. Een sluier van wolken bedekte de sterren en de maan, die lang niet zo fel scheen als voorheen. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om te wonen op de maan. Het zou een perfecte wereld zijn, waar iedereen in harmonie samenleefde. Geen ruzies, geen oorlogen, geen valuta. Maar boven alles geen grenzen.
Toen ik het uitkijkpunt had bereikt, zeeg ik neer in het zand. Ik pakte een sigaret uit mijn jaszak en stak deze op. De rook die ik uitblies vermengde zich met wolkjes gecondenseerde adem. Ik draaide me om en keek in de richting van onze tenten. Een vaag schijnsel van het kampvuur was het enige dat ik nog waar kon nemen.
Daar, op het uitkijkpunt, heb ik toen mijn hart uitgestort. Ik vertelde alles wat mijn lichaam al maandenlang in een wurggreep had aan de maan. Ik vloeide mijn eerste tranen, en mijn laatste. Ik heb geschreeuwd en gescholden, gejankt en gesmeekt. De maan luisterde geboeid, of zo stelde ik me dat voor.
Toen mijn tranen opgedroogd waren en mijn sigaret opgerookt, keerde ik terug naar de tenten, waar Kadin al bezig was met het doven van het kampvuur. Toen hij notie nam van mijn voetstappen, keek hij op. Voor een moment keek hij me aan, ging toen weer verder met waar hij mee bezig was.
''De anderen zijn al gaan slapen,'' zei hij na een tijdje.
''Allicht.''
Ik nam plaats op een boomstronk naast het kampvuur. Kadin zette zich naast mij en keek me een paar seconden zwijgend aan.
Toen begon hij: "Morgen moeten we het doen.''
''Ik weet het...'' mompelde ik. ''Het valt me zwaarder dan ik had verwacht. Na al deze dagen van wachten had ik gerekend op een zelfverzekerder gevoel.''
Kadin zuchtte en masseerde zijn slapen met zijn vingertoppen. Het was duidelijk dat hij het ook somber inzag. Hij zuchtte nogmaals.
''Luister,'' zei hij toen, ''het is niet zo dat we niet meer terug kunnen.''
Ik zweeg.
''We zouden nog terug kunnen keren. Als we dat echt zouden willen.''
''Nee, dat kan niet. Dat begrijp je zelf toch ook? Als we teruggaan, kunnen we niet naar onze oude stad. We kunnen geen contact opnemen met onze gezinnen of kennissen. Dan moeten we een geheel nieuw bestaan opbouwen. Bovendien kunnen we niet in het openbaar treden, want we worden gezocht. We moeten de grens over.''
''Als we het echt zouden willen, zou het kunnen.'' Kadin knikte met zijn hoofd, alsof hij zichzelf probeerde te overtuigen.
Ik slaakte een diepe zucht. Als Kadin zich terug zou trekken, was ik haast ten dode opgeschreven, samen met mijn andere metgezellen. Hij kon niet weggaan. Ik moest hem overtuigen.
Maar hij had zijn besluit al genomen. Kadin stond op en legde zijn hand op mijn schouder. Een traan op zijn wang. Hij vertrok. Hij had niets meer bij zich dan de kleren die hij droeg. Op weg naar een nieuw bestaan.
De volgende dag zouden we de grens over gaan. En over de grens zouden we sterven.
Kadin: mijn vriend, mijn metgezel, mijn vertrouweling.
